Mijn kleine meisje, mijn Muis, is dood…

Share on facebook
Share on google
Share on twitter
Share on linkedin

Elke keer als ik half wakker word, denk ik ‘Nee, verder slapen, want dan is het nog niet zo, ga je dat moment niet meemaken’.  
 
Dat moment waarop ik voor het eerst in 17 jaar mijn dag begin zonder jou. Dat ik dat kleine kopje van je niet zie, met je mooie doordringende ogen vol vertrouwen. Tegelijkertijd kopjes gevend én heel hard klagend alsof ik je een week geen eten heb gegeven.  
 
Bevrijdingsdag is voor mij niet meer één van de mooiste en meest bijzondere dagen van het jaar. Er zit nu een donker randje omheen, want gisteren moest ik je laten gaan. Om 14.25 uur was je er niet meer. Een uur eerder vond ik je in de tuin. Schreeuwend, liggend tussen de hortensia’s en de bamboe, net voor de ingang van je kattenluik. Je achterkant verlamd, je keek me aan met ogen donker van de pijn. 

Als ik je had kunnen redden, had ik het duizend keer gedaan. Maar ik heb je ook, lang geleden, beloofd, dat ik je nooit zou laten lijden. Dat je laatste dag er eentje was met pijn, paniek en stress, is iets wat ik ongelooflijk moeilijk vind. Ik had gedacht en gehoopt dat we, net als met je broer, jouw eigen vertrouwde dierenarts zouden vragen om thuis langs te komen wanneer we zagen dat het tijd was voor je. Rustig en vertrouwd, in je eigen omgeving. Nu moest je in je reismand, in de auto, naast me op de passagiersstoel met alleen maar mijn hand op je kopje.   

Ik blijf me voorhouden dat ik tot en met de allerlaatste seconde bij je was. De laatste minuten lag je weer in mijn armen, heb ik met je gepraat, je 100 keer gezegd hoeveel ik van je hou, en dat je nu geen pijn meer zou hebben. Heb ik sorry gezegd voor de keren dat ik boos op je was en mijn geduld verloor. Maar vooral hoe blij ik ben dat ik je toen gevonden heb op La Gomera, en dat ik je meegenomen heb naar Nederland. Dat je mijn kleine meisje bent, en altijd zult blijven. Je hebt alleen maar grote broers gehad: Max, Magic en Garfield, jij was het enige meisje.
 
Je was zo klein. Ook toen je ouder werd, bleef je een tenger ding. Eigenlijk onvoorstelbaar hoeveel ruimte zo’n kleine hummel als jij in beslag neemt in mijn hart. En jij hield net zo veel van mij, dat bleek uit alles. Met de jaren werd je dapperder, leerde je meer mensen vertrouwen, maar ik was ‘jouw mens’. Elke dag was je blij me te zien, wilde je bij me liggen, kroelen en knuffelen. Als we samen sliepen, lag je in de boog van mijn arm. Tót je merkte dat ik wakker was, dan was het ook direct opstaan en eten. Die prioriteiten had je prima op orde. 
 
Hoe beroerd mijn dag ook was, jij bracht áltijd weer verlichting, zelfs op de donkerste dagen. Toen zes jaar geleden je grote broer Magic over de Regenboogbrug ging, heb je een half uur zo lief bij hem gelegen. Een half jaar later kwam die rooie, Garfield. Je verwelkomde hem met je hart wijd open. Zo klein als jij was, zo groot was je hart. Vanaf de eerste avond lag je bij hem, naast het mandje waar hij nog niet uit durfde. Samen met jou is hij voor het eerst naar buiten gegaan. Met al je angsten en trauma’s was je evengoed een supersociaal hummeltje. 

Je was ook een wandelend spin-motortje, als je het écht naar je zin had, zelfs een hard ronkend motortje. Dan bleef je maar kopjes geven, of ik nu net een slok koffie nam of niet. Dan riep ik dat je toch wel kon uitkijken. Het laatste jaar was je ook ons eigen wandelende brandalarm. Daar heb ik een paar weken geleden dit nog over geschreven. Ik voel me nu nóg schuldiger en slechter dat ik wel drie keer per dag kon zeggen (heel luid ook nog) dat je écht op moest houden met zo hard en lang miauwen, want anders ging ik je op Marktplaats zetten. Gelukkig is daar dan mijn Lief, jouw baasje, die zegt dat élke moeder dat doet en diezelfde schuldgevoelens heeft.

Zondag 5 mei begon als een gewone dag. Ons eigen ochtendritueel van knuffelen en eten, en daarna weer knuffelen. Ik ging alleen even boodschappen doen. Toen ik terugkwam was alles ineens anders.

Vandaag hebben we je weggebracht, tot het allerlaatste stuk. Je bent in een wit hartje met een klein zilver pootje mee terug naar huis gekomen.  


 
Ik werk vanuit huis. Waar ik was, was jij…Was ik in de keuken, was jij daar ook. Waarschijnlijk ook altijd in de hoop dat er iets te snaaien viel, maar toch. Je lag bij me op m’n bureau of op het toetsenbord, net hoe het je uitkwam. Je ging zelfs mee naar de wc. En nu is dat allemaal weg, duizend-en-één kleine rituelen.  
 
Liefste Muis, als mijn liefde je had kunnen beschermen, was je voor altijd bij ons geweest. Ik zal je nooit vergeten. Jouw kleine pootafdruk staat in mijn hart gegraveerd.