Als je (schoon-)ouders hun onafhankelijkheid moeten opgeven…hoe vertel je dat in vredesnaam?

Share on facebook
Share on google
Share on twitter
Share on linkedin

Mijn schoonvader knijpt zo hard in zijn krukken dat ik me afvraag wat er eerder kapot gaat: zijn handen, of de handvaten van de kruk.

We zitten met ons vijven in de spreekkamer van de arts. Lief en ik met een knisperverse negatieve Covid-uitslag op zak, mijn schoonouders, en de arts die de revalidatie begeleidt . Door geweldige medewerking en moeite van de revalidatiekliniek, kon mijn schoonvader met mijn schoonmoeder mee. Niet geheel onlogisch met zijn medische historie, maar toch. Dat revalideren doen ze nu dus samen. Allemaal leuk en prima, tót nu.

Want na twee weken zonder overeenstemming over wat er allemaal moet veranderen in en rondom hun huis, en vooral over wat ze zelf kunnen blijven doen, hebben Lief en ik om een prognose-gesprek gevraagd. We willen weten wat de artsen ervan vinden, eigenlijk vooral omdat we denken en hopen dat zij meer indruk maakt. Dat het beter is als ze het horen van iemand die ervoor geleerd heeft en hier jarenlange ervaring mee heeft.

De uitkomsten zijn voor Lief en mij (helaas) alles behalve verrassend, maar met name mijn schoonvader verzet zich: ‘Eind deze week gaan we naar huis’, zegt hij. Ik kijk hem aan en vraag hem hoe hij dat denkt te gaan doen. Want wie maakt de dag erna de w.c. schoon, helpt bij de trombosekousen van mijn schoonmoeder en assisteert er bij het douchen?

stockfoto – deze dame is niet mijn schoonmoeder

Hele simpele dingen die ik elke dag gedachteloos doe, zijn voor hen nu ineens situaties die in potentie gevaar kunnen opleveren. Want hoezo ‘bukken om de w.c.-borstel te pakken’? en hoezo ‘even op een trapje stappen voor die ene ovenschaal’? Ik maakte me al langer zorgen, en de afgelopen periode heeft me geleerd dat dit terecht was. Ze hielden elkaar in stand en hielden op die manier dingen voor ons ‘verborgen’, niet met opzet (hoop ik 😉 ) maar toch.

Ik ben niet van de zachte heelmeesters. We moeten nu dingen concreet in gang gaan zetten en dat spreek ik ook uit. Maar ik kan niet naar ze kijken zonder dat de tranen in mijn ogen springen. Hoe lastig ze ook kunnen zijn: ‘Ik wil niet die ene polo, maar die andere, nee, die andere andere. En vooral niet het ene nachtlampje, dát nachtlampje’. Wat is het trouwens een opluchting te weten dat we totaal niét uniek zijn. Want daardoor kan ik er met anderen ook om lachen. (en ja, soms ook even schelden…)

Die man van 84 die met niets is begonnen, keihard heeft gewerkt om een goed leven op te bouwen, daar ook in geslaagd is, is o zo trots. De regie uit handen geven, is iets waar hij zich vanuit zijn tenen tegen verzet. Maar hij moet nu echt hulp accepteren. Zijn zus leeft niet meer, bijna al zijn vrienden zijn al dood.

Mijn schoonmoeder was enig kind, en ziet haar vriendinnen amper nog. Een paar jaar geleden moest ik lang en vaak vragen wat er nu was voor ze me eindelijk vertelde dat ze niet meer met ze wilde afspreken door Parkinson. Ze schaamde zich. Dan breekt je eigen hart een beetje. Het heeft wat moeite gekost maar toen ik haar eindelijk overtuigd had dat ze het júist moest vertellen, was het zó fijn om te horen dat ze elkaar weer zagen.

Met ‘dank’ aan Covid is hun wereldje opnieuw heel klein… En dan komen wij even vertellen hoe we het verder gaan doen. Ik gok zo dat mijn eigen reactie ook niet geweldig zou zijn.

Alles loslaten. Ze willen het niet en zijn er in hun hoofd ook nog niet aan toe. Maar we weten dat dit over een jaar niet anders is. Bovendien kunnen we het risico domweg niet nemen. Gelukkig bevestigt de arts dit nog een keer. Door haar geeft hij uiteindelijk toe. We kunnen aan de slag met het renoveren van de badkamer, een nieuw verhoogd toilet, thuiszorg, thuisalarmering etc..

Bij het afscheid vraag ik hem: ‘Geloof je wel dat we dit doen omdat we graag willen dat jullie nog een poos samen thuis kunnen wonen?’ Gelukkig knikt hij van ja. Het is geen blije knik, maar ik ben er toch dankbaar voor.